Vanmorgen verslapen. Na een nacht in de jungle hadden we veel slaap nodig. Na een tegenvallend ontbijt (in de jungle was het beter) hoorde we van Sool dat de vulkaan Sinabung ’s nachts een uitbarsting had gehad. Op de planten en auto’s lag een laagje as. Helaas konden we de vulkaan zelf door de as en bewolking niet zien. Gelukkig hadden we hem in Bukit Lawang al vanuit de verte gezien. Bij het bezoek aan de beroemde fruitmarkt waaide de as van de dekzeilen. Helaas waren veel kramen nog dicht. Het was zondag en de verkopers zaten nog in de kerk.
Op weg naar Samosir eiland in het Tobameer zijn we gestopt bij een Batak dorp van de Karo stam. In dit dorp staan nog enkele originele longhouses. Hierin leven 8 famlies, ieder met een eigen keuken en een soort bedstee voor de ouders. In een van de huizen zijn we op visite geweest bij een oude dame met rode tanden. Ze kauwde op een mengsel van bladeren. Zittend op een mat (wij kunnen niet staan in dat huis) liet een andere dame zien hoe je een traditioneel hoofddeksel van een sjaal moet vouwen. De weg naar Samosir slingerde langs mandarijnen bomen, koffiestruiken, mango en kruidnagelbomen en soms een groepje bavianen. Ook zijn we nog gestopt bij het paleis van een Batakkoning een waterval en een paar mooie uitzichten. Aangekomen bij de pont moesten we twee uur wachten voor de pont leeg was en met passen en meten weer gevuld. We hebben een tijd gekletst met een indonesische familie. De pont bracht ons in 45 minuten naar de overkant. Een kort donker ritje bracht ons naar het hotel. We slapen in een Batakstijl huis op de eerste verdieping met een prachtig uitzicht over het meer. De meiden slapen op een soort loft onder het hoge dak.